Peptiden en eiwitten zijn van hetzelfde gemaakt: aminozuren, aan elkaar geregen. Het verschil is er vooral één van lengte — en dat verschil heeft gevolgen.
Lengte. Onder de vijftig aminozuren spreken we van een peptide, daarboven van een eiwit. De grens is een afspraak, geen natuurwet. Een peptide telt er een paar tot enkele tientallen; een eiwit kan er honderden tot duizenden hebben.
Vorm. Lengte brengt vorm met zich mee. Een eiwit vouwt zich tot een complexe driedimensionale structuur, en die vorm bepaalt wat het doet. Een peptide is korter en blijft flexibeler — precies wat een snelle, gerichte boodschapper nodig heeft.
Regelaar en uitvoerder. Grofweg: peptiden regelen, eiwitten voeren uit. Een peptide werkt vaak als signaal dat een proces aanstuurt; eiwitten doen het structurele en enzymatische werk.
Een glijdende schaal. De twee zijn geen aparte werelden, maar een doorlopende reeks: korte keten (peptide) → langere keten (polypeptide) → gevouwen keten (eiwit). Welk label past, hangt soms af van het vakgebied.
De kern: Peptiden en eiwitten zijn beide ketens van aminozuren; het verschil is vooral lengte en vorm. Peptiden regelen, eiwitten voeren uit — met een grijs gebied ertussen.