Peptiden bouwen geen weefsel — ze geven opdrachten. Een cel scheidt ze uit, een andere cel leest ze, en er volgt een respons.
Slot en sleutel. Een peptide past op een receptor aan de buitenkant van een cel, zoals een sleutel op een slot. Past de sleutel, dan verandert de receptor van vorm en geeft het signaal door naar binnen.
Van signaal naar respons. Binnen de cel zet dat signaal een reeks stappen in gang — een enzym dat aanslaat, een gen dat wordt afgelezen. Zo maakt een klein signaal aan de buitenkant een grotere verandering binnenin. Het peptide zelf hoeft de cel niet in.
Precisie, en de grens ervan. Een peptide bindt vaak sterk aan één type receptor en grijpt zo gericht op één route aan. Maar de biologie is zelden zo netjes: één peptide bindt soms aan meerdere receptoren, en één receptor aan meerdere peptiden. Daardoor hangt het effect af van context, dosis en waar de receptoren zitten — dezelfde stof doet in twee weefsels iets anders.
De kern: Peptiden werken door aan receptoren te binden en zo een signaal de cel in te sturen. Hun effect is gericht, maar zelden geïsoleerd.